|
Hoofdstuk 20 - Vijfkaart hoog
Correctie blz 148: onder spel 10 staat ... met 8 punten ... Dat moet 7 punten zijn.
( 8 is ten onrechte voor
B aangezien)
Onderstaande antwoorden corresponderen met de vragen van de 8e druk. Onderaan is de hand-out behorend bij de vragen
van de 7e druk te downloaden.
Vraag 1
We hebben afgesproken met een 'vijfkaart hoog' te openen. Met hand a begin je gewoon met de laagste van twee vierkaarten en dus met
1 .
Hand b heeft een vijfkaart hoog en wordt dus met 1 geopend.
Ondanks de 12 punten wordt hand c toch met 1 geopend. Dit bod kan al op een doubleton en
zegt voorlopig dus verder nog niets over de klaverenkleur.
Met de 8 kaarten in harten en schoppen voldoet deze hand aan regel van 20.
Ook hand d voldoet aan die regel en is met 12 punten een 1 -opening waard,
schoppen want de hoogste van twee vijfkaarten. Het feit dat twee plaatjes deel uitmaken van de beide lange kleuren geeft de hand extra kracht.
Ondanks de slechts 11 punten kan bij hand e toch met 1 worden geopend. Met negen kaarten in
schoppen en klaveren voldoet deze hand aan de regel van 20. Hier speelt ook mee dat de schoppenkleur met
HB enige kracht heeft.
Met de 21 punten van hand f is het openingsbod 2SA. Met een evenwichtige hand en toch een vijfkaart hoog wordt
2SA geopend. Door vijfkaarten hoog niet uit te sluiten kunnen vaker handen met 20-22 worden aangegeven. In deel 3
(Verder met Bridge) zal met de
Niemeijerconventie precies worden onderzocht of de openaar over een vier- of een vijfkaart hoog beschikt.
Vraag 2
De opening van 1 vertelt je dat je partner minstens een vijfkaart
heeft. Dat betekent dat je nu al met een driekaart troefsteun hebt. Met de 10 punten van hand a is het antwoord dus
3 (10-11 punten).
Hand b heeft eveneens troefsteun, maar ook een vierkaart schoppen. Een vierkaart schoppen heeft voorrang op het aangeven van troefsteun.
Het spelen in een 4-4-fit is beter dan in een 5-3-fit. Op de lange kleur kunnen immers verliezers worden weggewerkt. Daarom moet je
met deze hand met 6+ punten 1 bieden.
Hand c heeft geen troefsteun, maar wel 10 punten. Je vertelt dat door economisch
2 te bieden.
Vraag 3
Je partner opent met 1 . Dat kan dus een doubleton zijn. Je weet nu dat hij geen
vijfkaart hoog heeft, want anders had hij daarmee geopend. Een vierkaart hoog kan jouw partner natuurlijk nog wel hebben. Omdat jij meestal een
kleur kunt bieden boven 1 , doe je dat gewoon en natuurlijk al vanaf 6 punten.
Als je meerdere vierkaarten hebt, bied je economisch. Bij hand b is het bijbod dus economisch
1 . Hand a heeft geen hogere vierkaart en daarom bied je daar 1SA. Je hebt maar 7 punten en
mag dus jouw vijfkaart klaveren niet op 2-niveau aangeven. Hand c heeft twee vijfkaarten. Nu biedt je juist niet economisch, maar eerst
1 . Dan kun je later (als het nog nodig is) een keer jouw hartenbezit aangeven.
Vraag 4
Hand a en c hebben schoppensteun en 6-9 punten. Je biedt dus 2 .
Hand b heeft geen schoppensteun.
Omdat je hier 10 punten hebt, kun je naar 2-niveau gaan. Je biedt dan economisch 2 .
De antwoorden van hoofdstuk 20 zijn ook te downloaden.
Voor de 7e druk:
en voor de 8e druk
Terug naar het overzicht van de hoofdstukken van
|